Zie voor de huidige stand van zaken het PDF bestand “Bijstandsnormen-juli-2017”.

Als u en uw eventuele gezinsleden geen inkomen hebben of als uw (gezamenlijke) inkomen onder het sociale minimum ligt – dat is de voor u geldende bijstandsnorm – kunt u recht hebben op (aanvullende) bijstand op grond van de Participatiewet. U mag geen recht hebben op een andere uitkering, zoals een IOAW-uitkering als u werkloos wordt op of na uw 50ste. Of toen recht had op een WGA-uitkering (Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten) die u na herkeuring heeft verloren.
Ook moet u zo mogelijk gebruik maken van andere voorliggende voorzieningen, zoals een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Deze toeslag is een aanvulling op uw uitkering op grond van de WW, de Ziektewet, de WAO, de WIA of de Wajong als die uitkering lager is dan het bruto dagloon. De toeslag kan ook worden toegekend als u na een jaar ziekte van uw werkgever een lager loon ontvangt (vaak 70%). Uw uitkering of loon inclusief de toeslag kan nooit hoger zijn dan uw vroegere loon.

Heeft u een partner die geboren is na 31 december 1971, dan heeft u alleen recht op een toeslag zolang een tot uw huishouden behorend kind jonger is dan 12 jaar.

Per 1 januari 2016 is het wettelijk minimumloon voor een persoon van 23 jaar of ouder bij een volledig dienstverband bruto € 1.537,20 per maand (is € 70,95 per dag).

Per 1 juli 2016 is het wettelijk minimumdagloon voor een persoon van 23 jaar of ouder bij een volledig dienstverband bruto 70,95 dag 1.537,20 per maand bruto per maand). Vanaf 1 juli 2016 tot 1 januari 2019 wordt de toeslag voor alleenstaand-woningdelers in stappen van 5% per jaar verlaagd van 70% naar 50% van het minimumloon. U bent alleenstaand-woningdeler als u 21 jaar of ouder bent en u uw woning deelt met ten minste één medebewoner die niet onder een uitzonderingscategorie valt

Het bruto dagloon exclusief vakantietoeslag (voor het bruto maandbedrag vermenigvuldigen met 21,75) kan door een toeslag worden aangevuld tot maximaal:

– voor gehuwden € 70,68
– voor alleenstaanden vanaf 23 jaar € 53,01
– voor alleenstaand-woningdelers vanaf 23 jaar € 48,30
– voor alleenstaanden van 22 jaar € 41,91
– voor alleenstaand-woningdelers van 22 jaar € 38,32
– voor alleenstaanden van 21 jaar € 35,28
– voor alleenstaand-woningdelers van 21 jaar € 32,12
– voor alleenstaanden van 20 jaar (mits niet thuiswonend) € 29,49
– voor alleenstaanden van 19 jaar (mits niet thuiswonend) € 24,71 – voor alleenstaanden van 18 jaar (mits niet thuiswonend) € 21,32

Een toeslag op een WW-uitkering vraagt u aan bij het UWV WERKbedrijf, een toeslag op een andere uitkering bij het UWV (Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen). Een toeslag kunt u doorgaans tot één jaar terug aanvragen. Als uw uitkering ook met toeslag onder het sociaal minimum blijft is aanvullende bijstand mogelijk.

Ook als u volgens de regelgeving geen recht heeft op (bijzondere) bijstand, kan op grond van artikel 16 Participatiewet toch bijstand worden verleend “indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken”. Er moet dan sprake zijn van een acute noodsituatie, te weten een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Voor het recht op en de hoogte van de bijstand worden in de Participatiewet drie leefsituaties onderscheiden: alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden. Verder is de leeftijd – jonger dan 21 jaar of AOW-leeftijd – van belang.

Wanneer woonkosten gedeeld kunnen worden met medebewoners leidt dat door de (nieuw ingevoerde) kostendelersnorm voor personen vanaf 21 jaar – uitzonderingen daargelaten – tot verlaging van de bijstandsuitkering. NB De kostendelersnorm geldt per 1 juli 2015 ook voor IOAW- of IOAZ-gerechtigden met een afbouwregeling tot 1 januari 2019. In vijf jaarlijkse stappen van 2%, 3% en drie maal 5% wordt de uitkering dan verlaagd naar 50% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm in 2019. Vanaf 1 juli 2015 geldt de kostendelersnorm verder ook stapsgewijs voor personen met een Anw-uitkering (Algemene nabestaandenwet). Wie AOW-gerechtigd is en onvoldoende AOW-pensioen heeft opgebouwd vanwege langdurig verblijf in het buitenland, kan recht hebben op een AIO-aanvulling (aanvullende inkomensvoorziening ouderen). Dat is een vorm van (aanvullende) bijstand die door de Sociale Verzekeringsbank wordt uitgekeerd. Met overige (pensioen)inkomsten en vermogen boven de wettelijke vrijlating wordt rekening gehouden. Voor AOW-gerechtigden zijn de bijstandsnormen hoger. Op de AIO-aanvulling is bij medebewoners de kostendelersnorm van toepassing.
ALLEENSTAANDE is de ongehuwde die geen alleenstaande ouder is en geen gezamen lijke huishouding voert met een ander. De hoogte van de bijstandsnorm is 70% van de toepasselijke gehuwdennorm.
ALLEENSTAANDE OUDER is de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert. Tot zijn last komende kinderen zijn eigen kinderen, stiefkinderen of adoptiefkinderen (niet pleeg- kinderen) die jonger zijn dan 18 jaar en voor wie recht op kinderbijslag bestaat. Of iemand alleenstaande ouder is, is met name van belang voor de hoogte van het vrijgelaten bescheiden vermogen, ontheffingen van verplichtingen bij het zoeken naar werk en de inkomstenvrijlating. De hoogte van de bijstandsnorm is voor alleenstaande en een alleenstaande ouder gelijk. Een alleenstaande ouder kan daarnaast de alleenstaande-ouderkop ontvangen waarmee het kindgebonden budget is verhoogd mits er geen toeslagpartner is. Als er wel een toeslagpartner is maar geen recht op de bijstandsnorm voor gehuwden omdat deze partner is uitgesloten van het recht op bijstand, bijvoorbeeld vanwege detentie, bestaat er de mogelijkheid van aanvullende bijzondere bijstand.

Wie co-ouder is met een bijstandsuitkering voor een alleenstaande en de andere co-ouder van uw kind ontvangt het kindgebonden budget inclusief de alleenstaandeouderkop (omdat die ook de kinderbijslag ontvangt), kunt u met die ouder afspraken maken over de verdeling van het kindgebonden budget. Wanneer de ouder bijstand naar de norm van een alleenstaande gaat ontvangen omdat het thuiswonende kind 18 jaar wordt, kan dat leiden tot inkomensdaling. Alsdan kan zolang het kind jonger is dan 21 jaar de voormalige alleenstaande ouder bijzondere bijstand (garantietoeslag voormalige alleenstaande ouders) krijgen. De hoogte is het verschil tussen de bijstandsnorm alleenstaande (ouder) inclusief kinderbijslag en kindgebonden budget enerzijds en het gewijzigde gezamenlijke inkomen van ouder en kind anderzijds.

GEHUWDEN zijn personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben én: – gehuwd of geregistreerde partners zijn óf – een gezamenlijke huishouding voeren, dat wil zeggen dat zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van een huishouding dan wel anderszins terwijl er geen ouder – kind relatie bestaat (ook geen meerderjarig voormalig pleegkind – pleegouder relatie) óf – in ieder geval geacht worden (op basis van een zogeheten “onweerlegbaar rechtsvermoeden”) een gezamenlijke huishouding te voeren wanneer: – zij met elkaar gehuwd zijn geweest óf – zij voorafgaand aan de huidige bijstandsaanvraag korter dan twee jaar geleden bijstand naar de gehuwdennorm ontvingen óf – uit hun relatie een kind is geboren of het kind is binnen die relatie erkend óf – zij in een samenlevingscontract zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding óf – zij als een gezamenlijke huishouding bekend staan in een registratie, zoals geregeld in het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. Gehuwden hebben gezamenlijk recht op één bijstandsuitkering: de gehuwdennorm. Op hun relatie is de kostendelersnorm niet van toepassing tenzij één van de partners is uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstandsuitkering tellen de inkomsten en vermogens van beide partners mee.

Een kennismakingsperiode kan worden toegestaan wanneer twee niet met elkaar gehuwde personen voor het eerst gaan samenwonen en hun relatie onzeker is. Zij kunnen dan gedurende maximaal drie maanden hun bijstandsnorm van vóór het samenwonen blijven ontvangen mits zij zolang hun eigen woning aanhouden. Er bestaat geen gezamenlijke huishouding als een huishouding gevoerd wordt met uitsluitend een zorgbehoevende bloedverwant in de 2e graad (broer-zus, grootouder- kleinkind). Van een zorgbehoefte is sprake als de bloedverwant aanspraak kan maken op plaatsing in een Wlz-instelling maar daarvan heeft afgezien of daarvoor op een wachtlijst is geplaatst. Of indien hij vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren omdat hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen. Overigens is de kostendelersnorm hier wel van toepassing.

Het kan voorkomen dat bij gehuwden volgens de wet één partner geen recht op bijstand heeft, bijvoorbeeld omdat hij geen geldige verblijfstitel heeft, gedetineerd is of omdat hij jonger is dan 27 jaar en studeert met recht op studiefinanciering WSF. Voor de bijstandsgerechtigde partner is dan de bijstandsnorm gelijk aan 50% van de bijstandsnorm die zou gelden als hij gehuwd was met een rechthebbende partner van dezelfde leeftijd als hemzelf indien de bijstandsgerechtigde partner: – jonger is dan 21 jaar óf – 21 jaar of ouder is en er zijn geen kostendelende medebewoners. Met de inkomsten van de niet-rechthebbende partner wordt alleen rekening gehouden als die inkomsten inclusief de bijstand die aan de andere partner zou kunnen worden toegekend meer dan de gehuwdennorm bedragen. Bij inkomsten uit studiefinanciering gaat het om het normbedrag voor levensonder- houd in de studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). Dat normbedrag is voor een uitwonende student per maand € 862,50 bij hoger onderwijs en € 708,29 bij beroepsonderwijs. Met het vermogen van de niet-rechthebbende partner wordt altijd rekening gehouden bij het vaststellen van het vrijgelaten bescheiden vermogen. Als in individuele situaties de berekende bijstandsnorm onaanvaardbaar is kan de bijstand worden afgestemd op de omstandigheden van de bijstandsgerechtigde.

Kostendelersnorm
Wanneer alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden met andere personen vanaf 21 jaar hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, is beginsel de kostendelersnorm van toepassing voor het vaststellen van de hoogte van de bijstand per inwonende persoon. De gedachte hierbij is dat medebewoners woonlasten zoals huur en energiekosten kunnen delen. Dit betekent dat hoe meer kostendelende personen op hetzelfde adres wonen hoe lager de bijstandsnorm per persoon is, ook al ontvangen zij geen bijstand. De kostendelersnorm geldt ook voor bloed- en aanverwanten in de 1e graad (ouders- kinderen) of 2e graad (broers, zusters, grootouders en kleinkinderen). De systematiek van de kostendelersnorm is dat voor iedere minimaal 21-jarige medebewoner meer het totale recht op bijstand toeneemt met 30% van de leeftijdsafhankelijke bijstandsnorm voor gehuwden. Vervolgens wordt het totale recht op bijstand gedeeld door het aantal personen dat meetelt voor de kostendelersnorm. Het inkomen en vermogen van de ene medebewoner heeft geen gevolgen voor de individuele bijstandsnorm van andere medebewoners. Als de kostendelersnorm van toepassing is, wordt de hoogte van de netto uitkering per persoon per maand berekend volgens de

rekenkundige formule: (40% + A x 30%) x B gedeeld door A
Hierbij is: A het aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende zelf en – indien de belanghebbende is gehuwd – de echtgenoot van 21 jaar of ouder B de rekennorm, dat is de gehuwdennorm, gekoppeld aan de leeftijdscategorie die geldt voor de bijstandsgerechtigde vanaf 21 jaar (exclusief vakantietoeslag): – jonger dan de AOW-leeftijd € 1.326,13 – een partner jonger dan AOW-leeftijd, de ander AOW-gerechtigd € 1.424,58 – AOW-gerechtigden € 1.424,58 Voor een bijstandsgerechtigde vanaf 21 jaar met medebewoners tellen bij de hoogte van de kostendelersnorm 4 groepen medebewoners voor de A-factor niet mee:

1. Jongeren tot 21 jaar.

2. Gehuwden in hun onderlinge relatie.

3. Personen die met elkaar een commerciële relatie hebben. Dat is in de eerste plaats het geval indien op basis van een schriftelijke overeenkomst een commerciële prijs voor (kamer)huur of kostgeld wordt betaald. In de schriftelijke overeenkomst dient in elk geval te zijn vastgelegd: – welk deel van de huur of het kostgeld bedoeld is als kale huur en welk deel voor (energie)kosten en bij kostgeld voor maaltijden en bewassing; – welke kamer(s) voor exclusief gebruik zijn en welke ruimtes voor medegebruik; – op welk bankrekeningnummer de huur of het kostgeld gestort wordt; – hoe de periodieke verhoging van de huur of het kostgeld is bepaald. Van een commerciële prijs is sprake als deze per maand minimaal bedraagt: – bij (onderhuur)huur inclusief kosten € 285,00; – bij kostgangerschap inclusief kosten en geleverde diensten € 535,00. Bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad die op hetzelfde adres wonen kunnen geen commerciële relatie met elkaar hebben. Verder is van een commerciële relatie sprake wanneer alle personen op hetzelfde woonadres op basis van een schriftelijke overeenkomst tegen een commerciële prijs huren van iemand die op een ander adres woont. Die iemand mag in dit geval wel een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad zijn. Onder schriftelijke overeenkomst valt ook een woon/zorg-overeenkomst met een instelling voor maatschappelijke opvang.

4. Studerenden die onder meer: – onderwijs volgen waarvoor recht op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) bestaat en gedurende hun onderwijs op enig moment vanwege hun leeftijd recht hebben op studiefinanciering ongeacht of deze wordt ontvangen, bijvoorbeeld omdat de maximale termijn voor studiefinanciering bereikt is óf – voortgezet onderwijs of voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) volgen met recht op tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen schoolkosten (WTOS) óf – de beroepsbegeleidende leerweg (BLL) volgen en dus gemiddeld vier dagen per week werken en één dag per week naar school gaan.
NB Voor gehuwden waarvan één partner jonger is dan 21 jaar en de ander is 21 jaar of ouder, geldt een afwijkende kostendelersnorm wanneer er medebewoners zijn die meetellen voor de kostendelersnorm. Indien er één of meer ten laste komen kinderen zijn is de kostendelersnorm €494.37 vermeerderd met de kostendelersnorm voor de partner die 21 jaar of ouder is. Bij een driepersoonshuishouden bedraagt dan de hoogte van de maandelijkse bijstand € 1068.98 (is € 497.37 + 43,33% x € 1.326.13). Indien er geen ten laste komende kinderen zijn is de kostendelersnorm € 229.14 vermeerderd met de kostendelersnorm voor de partner die 21 jaar of ouder is. Bij een driepersoonshuishouden bedraagt dan de hoogte van de maandelijkse bijstand €803.75 (is € 229.14 + 43,33% x € 1.326.13).
Omdat op de bijstandsgerechtigde die (kamer)verhuurder of kostgever is de kosten- delersnorm niet van toepassing is, wordt op diens bijstandsuitkering in ieder geval 90% van de kale huur als inkomen verrekend. De bijstand voor de kamerhuurder of kostganger is in dit geval 70% van de toepasselijke gehuwdennorm.

Voorbeeld kostendelersnorm. Bijstandsgerechtigd echtpaar, beide jonger dan de AOW-leeftijd, met een inwonend 25-jarig kind die een Wajong-uitkering ontvangt en een inwonend 27-jarig studerend kind met studiefinanciering. A is 3 (studerend kind telt niet mee) en B is € 1.326.13 (gehuwdennorm voor niet AOW-gerechtigden). De hoogte van de bijstand exclusief vakantietoeslag per huwelijkse partner is per maand 40% + 3 x 30% is 130% gedeeld door 3 is 43,33% van € 1.326,13 is € 574,66.
Normen bij verblijf in inrichting / dak- en thuislozen / ontbreken woonlasten Wie in een verzorgings- of verpleeghuis wordt opgenomen en 21 jaar of ouder is, ontvangt bijstand in de vorm van een zak- en kleedgeldvergoeding (norm inrichting). De oude bijstandsnorm blijft bestaan gedurende de maand van opname en de daaropvolgende maand. Van deze norm kan de lage of hoge Eigen bijdrage 2016 Verblijf in een zorginstelling die het CAK aan u oplegt, niet worden voldaan. U kunt dan het CAK, op grond van art. 3.3.2.2 lid 7 van het Besluit langdurige zorg verzoeken ontheven te worden van de eigen bijdrage, telkens voor de duur van een kalenderjaar.

Een dakloze is een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats die de nacht doorgaans buiten doorbrengt of in een instelling voor opvang van daklozen. Een thuisloze is een persoon die zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft in een instelling voor opvang van thuislozen. Voor hen wordt de bijstandsnorm verlaagd met 8% van de gehuwdennorm zodat de bijstandsnorm 70% minus 8% is 62% van de gehuwdennorm bedraagt. Als iemand in het geheel geen woonlasten heeft wordt zijn bijstandsnorm verlaagd met € 231,87 per maand, dat is de minimale basishuur in de huurtoeslag.

Vermogen
Wanneer u een (aanvullende) bijstandsuitkering aanvraagt, wordt bekeken of uw vermogen meer bedraagt dan het zogeheten vrijgelaten bescheiden vermogen. Als uw gezinssituatie wijzigt vindt ook een nieuwe vermogensvaststelling plaats. Het vermogen dat u mag houden is € 5.920,00 voor een alleenstaande en € 11.840,00 voor een gezin of alleenstaande ouder (bij co-ouderschap gelden afwijkende bedragen, afhankelijk van het aantal dagen dat het kind bij u verblijft). Uw vermogen bestaat uit de bezittingen verminderd met de schulden van u, uw eventuele partner (ook al heeft die zelf geen recht op bijstand) en uw kinderen die ten laste van u komen. Onder bezittingen vallen onder meer contant geld, tegoeden op betaalrekeningen en spaarrekeningen, waardepapieren zoals aandelen en onroerend goed (voor de door u zelf bewoonde eigen woning gelden bijzondere regels). Bij de vaststelling van het vermogen telt een afkoopbare levensverzekering niet mee als zij korter dan 10 jaar geleden is afgesloten en de inleg minder dan het vrijgelaten vermogen bedraagt. Een uitvaartverzekering in natura of in contanten wordt in beginsel vrijgelaten. Met algemeen gebruikelijke bezittingen wordt geen rekening gehouden, zoals een gebruikelijke inboedel of een auto of motor met een dagwaarde tot € 4.500,00. Een vergoeding voor immateriële schade (smartengeld) telt niet mee voor zover die aanvaardbaar is. U mag wel van uw bijstandsuitkering sparen; als uw vermogen daardoor boven het vrijgelaten vermogen uitkomt, telt dat tot op zekere hoogte niet mee. Schulden verminderen uw vermogen als u kunt aantonen dat u verplicht bent die af te lossen, bijvoorbeeld door middel van een leenovereenkomst. Studieschulden die via een draagkrachtberekening op nihil kunnen worden gesteld tellen niet mee. Wanneer uw vermogen meer bedraagt dan het vrijgelaten bescheiden vermogen moet u het meerdere eerst gebruiken voor uw levensonderhoud. Het maandelijkse bedrag waarmee u op dat oververmogen moet interen is in beginsel 1,5 maal de voor u geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag plus de maandelijkse premies voor aanvullende ziektekostenverzekeringen tot maximaal de premies voor de verzekeringen GarantVerzorgd 1 en TandVerzorgd 3 van Menzis

Vakantie
Als u niet de AOW-leeftijd heeft mag u maximaal vier weken per kalenderjaar met behoud van bijstandsuitkering op vakantie naar het buitenland gaan. Als u AOW-gerechtigd bent met een AIO-aanvulling is deze periode 13 weken. Tussen twee en vier weken voor uw eerste vakantiedag geeft u uw vakantie door aan de gemeente (digitaal of via het formulier “Melding nieuwe informatie”) of aan de SVB.

Inkomsten en bijstand
De Participatiewet voorziet in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarbij worden eventuele inkomsten van u en uw eventuele partner gekort op de bijstandsuitkering. Als die inkomsten meer bedragen dan de voor u geldende bijstandsnorm bestaat er in het geheel geen recht op bijstand. Niet gekort worden overheidsbijdragen in bepaalde kosten zoals huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget, kinderopvangtoeslag en kinderbijslag. Een belastingteruggaaf die verband houdt met terugbetaalde gebruteerde bijstand (negatief inkomen), giften aan goede doelen of specifieke zorgkosten waarin geen bijzondere bijstand is verstrekt, wordt ook niet gekort . Periodieke giften zijn vrijgelaten tot 15% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Verder mag de ontvangen rente (niet dividend) over het vrijgelaten bescheiden vermogen worden gehouden. Belastingheffingskortingen waarop recht bestaat, zoals de algemene heffings- korting minstverdienende partner en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, worden volledig gekort op de bijstand. De jonggehandicaptenkorting is voor personen vanaf 27 jaar wel vrijgelaten. Inkomsten die volledig gekort worden op een bijstandsuitkering zijn uitkeringen zoals WW, ZW en de WAO/WIA, studiefinanciering en ontvangen alimentatie. Inkomsten uit arbeid, zoals loon uit deeltijdwerk of nevenverdiensten, worden behoudens de hieronder vermelde uitzonderingen, ook volledig op de bijstand gekort. Dit gebeurt over de maanden waarin de inkomsten zijn verdiend of opgebouwd (zoals vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) en niet in de maand waarin is uitbetaald. Voor wie gastouder of oppas is wordt een bedrag van € 0,80 per uur vrijgelaten.
Onder meer de volgende inkomsten zijn voor de bijstand (gedeeltelijk) vrijgelaten: – van ten laste komende kinderen tot 18 jaar: de inkomsten uit werk en ontvangen werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen – van AOW-gerechtigde personen met een AIO-aanvulling: de particuliere oudedags- voorziening (bedrijfspensioen of lijfrente) tot een netto maandbedrag van: – als u alleenstaande of alleenstaande ouder bent € 19,60 – als u een partner heeft € 39,20 Regelingen betreffende inkomsten uit deeltijdarbeid/vrijwilligerswerk Als uw bijstandsuitkering aanvullend op uw loon is of u verricht vrijwilligerswerk kunt u in aanmerking komen voor een of meer van de volgende regelingen.

Buitengewone verwervingskosten Blijkt uit uw inkomstenverklaring dat u daadwerkelijk arbeidskosten moet maken, zoals reiskosten (drie buszones of meer), die uw werkgever niet vergoedt, dan kunt u voor deze buitengewone verwervingskosten bijzondere bijstand krijgen.
Tips voor de Smalle Beurs eerste helft 2016 59

Vrijlatingsregeling Wanneer u 27 jaar of ouder bent en in deeltijdarbeid gaat werken, mag u eenmalig gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden 25% van uw netto inkomsten houden met een maximum van € 199,00 per maand. Deze vrijlating kan desgewenst op een later moment ingaan dan de eerste maand waarover u de inkomsten verdient als u dat op het formulier “ Melding nieuwe informatie” aangeeft. Eerst nadat er gedurende een jaar geen recht op bijstand is geweest kan een nieuw recht op deze vrijlating ontstaan.

Extra vrijlating alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar Aansluitend op de termijn van zes maanden van voornoemde vrijlatingsregeling komt u als alleenstaande ouder van 27 jaar of ouder met een deeltijdbaan en de volledige zorg voor een kind dat jonger is dan 12 jaar, in aanmerking voor een extra vrijlating. U mag gedurende maximaal 30 aaneengesloten maanden 12,5% van uw netto inkomsten houden tot een maximum van € 124,20 per maand als uw werk uw kans op uitstroom uit de bijstand vergroot.

Vrijlating bij medische urenbeperktheid Als u medisch urenbeperkt bent kunt u recht hebben op deze vrijlating. Medisch urenbeperkt houdt in dat u als gevolg van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet een volle werkweek kunt werken. Het UWV kan onderzoeken of u medisch urenbeperkt bent.
Verdere voorwaarden zijn: – uw leeftijd is minimaal 27 jaar; – u werkt en ontvangt aanvullende bijstand; – de 25%-vrijlatingsregeling en de extra vrijlating voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar is op u niet van toepassing. De vrijlating bestaat zolang u aan de voorwaarden voldoet en bedraagt 15% van de netto inkomsten tot maximaal € 125,97 per maand. Deze vrijlating kan ambtshalve (dus zonder aanvraag) aan u worden verleend. U kunt ook één keer per jaar een schriftelijke aanvraag indienen.

Vrijlating (onkosten)vergoeding vrijwilligerswerk Wanneer u minimaal 27 jaar bent en u heeft toestemming om met behoud van uitkering vrijwilligerswerk te verrichten, is van een eventuele vrijwilligersvergoeding € 95,00 per maand is vrijgelaten tot een maximum van € 764,00 per jaar.

Arbeidsverplichtingen, re-integratie, premies en toeslagen
De Participatiewet kent voor u als u jonger dan de AOW-leeftijd bent de plicht dat u zich naar vermogen volledig en actief beschikbaar stelt voor algemeen aanvaarde arbeid. Dit betekent onder meer dat u ingeschreven staat als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf, actief solliciteert en aangeboden werk aanvaardt. Tot de arbeidsverplichtingen behoort ook het meewerken aan een plan van aanpak of een re-integratievoorziening die u wordt aangeboden. Zijn er individuele dringende redenen die leiden tot geringe belastbaarheid, dan kan aan u geheel of gedeeltelijk ontheffing van arbeidsverplichtingen worden verleend. U blijft in alle gevallen wel verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar u mogelijkheden voor arbeidsinschakeling.

Wanneer u als alleenstaande ouder de volledige zorg heeft voor een kind tot vijf jaar, kan op uw verzoek voor de duur van maximaal vijf jaar vrijstelling worden verleend van uw arbeidsverplichtingen (waaronder de registratie als werkzoekende bij UWV WERKbedrijf). Binnen zes maanden na de vrijstelling stelt de gemeente met u een plan van aanpak op, gericht op een re-integratievoorziening.

Vanaf 1 januari 2016 bestaat er de taaleis als u de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Als u toen al bijstand ontving geldt de taaleis vanaf 1 juli 2016.

Indien u een (arbeids)verplichting niet nakomt, wordt op basis van de gemeentelijke Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 een sanctie opgelegd. Dit betekent dat uw bijstandsuitkering, vaak gedurende een maand, met een bepaald percentage wordt verlaagd. Dat percentage kan variëren van 5% bij niet tijdige (verlenging van de) inschrijving als werkzoekende of het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs tot 100% in het geval van het niet behouden of aanvaarden van arbeid, bijvoorbeeld door een verhuisplicht niet na te komen of bij een zeer ernstige misdraging in de vorm van mensgericht fysiek geweld. Als er binnen een jaar sprake is van recidive kan de verlaging worden verdubbeld in hoogte of duur. Van een sanctie wordt afgezien als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ook kan in geval van dringende redenen van een sanctie worden afgezien.

Re-integratievoorzieningen en premies
Wanneer u behoort tot de doelgroep van de Participatiewet, u ontvangt bijvoorbeeld een uitkering op basis van de Participatiewet of de Algemene Nabestaandenwet, kunt u aanspraak maken op re-integratievoorzieningen. Deze voorzieningen zijn gericht op arbeidsinschakeling of bij grote afstand tot de arbeidsmarkt, op maatschappelijke participatie. De re-integratievoorzieningen zijn nader geregeld in de gemeentelijke Re-integratieverordening Participatiewet 2015.

Als u korte afstand heeft tot de arbeidsmarkt, deelname is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar, bestaan er de volgende voorzieningen: – een werkstage met behoud van uitkering voor het opdoen van werkervaring en gericht op arbeidsinschakeling voor zes maanden waarbij verlenging met maximaal zes maanden mogelijk is; – een detacheringsbaan bij een bedrijf of (welzijns)instelling, gericht op arbeids- inschakeling; – een scholingstraject, noodzakelijk voor toeleiding naar de arbeidsmarkt, zoals het behalen van een startkwalificatie wanneer rijksonderwijs niet meer mogelijk is vanwege de leeftijd.
Als u grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt, deelname is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar, bestaan – naast bovengenoemde – de volgende voorzieningen: – sociale activering, dat wil zeggen het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten, zoals vrijwilligerswerk of deelnemen aan wijkactiviteiten, gericht op arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie; – een participatieplaats met behoud van uitkering als u 27 jaar of ouder bent voor zes maanden met de mogelijkheid van maximaal drie verlengingen van elk zes maanden om personen met een geringe kans op arbeidsinschakeling dichter bij de arbeidsmarkt te brengen;

Verder zijn er voorzieningen voor bepaalde doelgroepen, zoals: – beschut werk indien u vanwege een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een grote mate van begeleiding en/of omvangrijke aanpassingen van de werkplek nodig heeft (maximaal 400 werkplekken);
– ondersteuning die nodig is voor het volgen van een werk-leertraject ter voorkoming van schooluitval en gericht op een startkwalificatie als u jonger dan 27 jaar bent; – persoonlijke ondersteuning (zoals een jobcoach) die nodig is zodat u als werknemer uw werk kan doen met als doel dat u op den duur zonder begeleiding bij een reguliere werkgever kunt werken; – nazorg na aanvaarding van reguliere (niet gesubsidieerde) arbeid. Voor noodzakelijke reiskosten (verwervingskosten) is bijzondere bijstand mogelijk wanneer vervoer per fiets niet mogelijk is of als de afstand drie of meer buszones is. Als u voor de voorziening participatieplaats in aanmerking komt, heeft u naast uw uitkering telkens na zes maanden recht op de premie participatieplaats van € 600,00 wanneer u voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van uw kansen op de arbeidsmarkt.

Individuele studietoeslag
Wanneer u vanwege een arbeidshandicap niet in staat bent het minimumloon te verdiene kunt u als extra steuntje in de rug voor een individuele studietoeslag in aanmerking komen. De voorwaarden voor deze toeslag zijn: – u bent minimaal 18 jaar; – u heeft recht op studiefinanciering WSF 2000 of op een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten WTOS; – uw vermogen is lager dan het vrijgelaten bescheiden vermogen; – u bent niet in staat tot het verdienen van het wettelijk minimumloon; – u heeft wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Het UWV kan advies verstrekken over aanwezigheid van de arbeidshandicap. De individuele studietoeslag is een vorm van belastingvrije bijzondere bijstand. De toeslag wordt telkens na een periode van zes maanden eenmalig uitbetaald. Na zes maanden kunt u opnieuw in aanmerking komen voor deze toeslag. De hoogte van de toeslag is 20% van het netto minimum(jeugd)loon, dat is: – als u 18 jaar bent € 96,00 – als u 19 jaar bent € 110,00 – als u 20 jaar bent € 129,00 – als u 21 jaar bent € 152,00 – als u 22 jaar bent € 178,00 – als u 23 jaar of ouder bent € 210,00

Aanvragen algemene bijstand
Wie als werkzoekende een bijstandsuitkering wil aanvragen meldt zich op het Werkplein. Dat kan door digitale inschrijving als werkzoekende via Werk.nl. Of door met een geldig identiteitsbewijs het UWV WERKbedrijf te bezoeken op het Werkplein om zich te laten inschrijven als werkzoekende. Ook een ketenpartner kan ten behoeve van een belanghebbende een melding doen. Partners vragen de bijstandsuitkering gezamenlijk aan. Wel kan één partner de aanvraag doen met schriftelijke toestemming van de anderen. Wie AOW-gerechtigd is met een onvolledig opgebouwd AOW-pensioen kan een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) aanvragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Die verstuurt automatisch een aanvraagformulier. Voor de niet AOW-gerechtigde partner blijven arbeids- en re-integratieverplichtingen gelden zolang de SVB op advies van de gemeente daarvan geen ontheffing verleent.

Zoekperiode jongeren tot 27 jaar en plan van aanpak Voor alleenstaande (ouders) jonger dan 27 jaar en partners die beide jonger zijn dan 27 jaar geldt een bijzondere aanvraagprocedure in zeven stappen:

1. Inschrijven als werkzoekende via de DigiD bij UWV op werk.nl

2. Daar het eerste gedeelte van de aanvraag bijstandsuitkering invullen.

3. Bellen met het Werk en Inkomen: 050 – 367 50 00, bereikbaar van 8.30 – 17.00 uur (de datum waarop gebeld wordt is de meldingsdatum van de aanvraag).

4. Gedurende vier weken naar werk of een opleiding zoeken. Als dat lukt telefonisch doorgeven aan Werk en Inkomen: 050 – 367 50 00.

5. Als deze zoekperiode niets oplevert: het tweede gedeelte van de bijstands- aanvraag op werk.nl afhandelen.

6. Bellen met Werk en Inkomen via het gemeentelijk Klanten Contact Centrum (KCC) om de uitkering te activeren.

7. Ingaan op de uitnodiging voor een gesprek op het Werkplein waar beoordeeld wordt of genoeg gedaan is om werk of een opleiding te vinden
Wie geen startkwalificatie heeft – dat is een opleiding op niveau mbo-2, havo of vwo – dient deze eerst te halen als hij daarvoor de capaciteiten heeft. Jongeren tot 23 jaar kunnen voor hulp bij het behalen van de startkwalificatie contact opnemen met het Regionaal Meld- en Coördinatiepunt Voortijdig Schoolverlaters (RMC), T 050 – 367 62 79 of mailen naar leerlingenzaken@groningen.nl. Jongeren tussen 23 en 27 jaar zonder startkwalificatie kunnen contact opnemen met loket Leren en Werken via de mail groningen@lerenenwerken.nl, bellen met 050 – 751 91 71 of gaan naar het Werkplein. Bij de toekenning van de bijstandsaanvraag wordt een plan van aanpak opgesteld waarin onder meer staat wat verwacht wordt om de kans op werk te vergroten en de eventuele ondersteuning daarbij. Een jongere tot 27 jaar die een WW-uitkering ontvangt kan vier weken voordat het recht op WW eindigt bijstand aanvragen. De zoekperiode begint dan direct te lopen. Wanneer één partner 27 jaar of ouder is en de ander is jonger dan 27 jaar, geldt niet de zoekperiode van vier weken; een bijstandsuitkering kan in dit geval meteen worden aangevraagd. Wel moet de jongere partner onderzoeken of hij weer naar school kan gaan. Als hij dat onvoldoende doet kan de gezinsbijstand worden verlaagd.

Voorschot en voorlopige voorziening
voorzitter Gedeputeerde Staten De gemeente moet binnen acht weken beslissen op een aanvraag om een (aanvullende) bijstandsuitkering (bij zelfstandigen is de beslistermijn 13 weken). Zolang het recht op bijstand nog niet is vastgesteld wordt uiterlijk binnen vier weken na de aanvraag als voorschot bijstand in de vorm van een renteloze lening verleend. Dat gebeurt niet als de benodigde informatie niet (tijdig) is verstrekt of bij de aanvraag al duidelijk is dat er geen recht op bijstand bestaat. Als de gemeente weigert een voorschot te verstrekken terwijl “de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is” (artikel 81 Participatiewet), kan een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden ingediend bij: De voorzitter van Gedeputeerde Staten.

Niet eens met de beslissing?
Wie het niet eens is met de beslissing op de bijstandsaanvraag kan binnen zes weken na de dagtekening van de beslissing bezwaar maken bij: College van burgemeester en wethouders, Groningen. Tegen een afwijzende beslissing op het bezwaar staat binnen zes weken beroep open bij de rechter. De beslissing vermeldt meer over het bezwaar of beroep.

Bijstandsnormen Participatiewet per 1 januari 2016
Vermelde bedragen zijn netto maandbedragen inclusief heffingskortingen die de Belastingdienst aan u uitbetaalt als u daar recht op heeft en met uw uitkering worden verrekend. Het zal dan gaan om de algemene heffingskorting minstverdienende partner en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De bedragen die rechts genoemd staan hebben betrekking op de maandelijks opgebouwde vakantietoeslag (5%) die in juni wordt uitbetaald. Voor jongeren tot 21 jaar kan op basis van maatwerk op de hieronder genoemde bedragen aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt, afhankelijk van de gemaakte (woon)kosten. Het maximum bedrag is dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige die geen financieel beroep op zijn ouders kan doen. Onder de kostendelersnormen worden tot en met zes woningdelende personen tussen haakjes de percentages van de van toepassing zijnde gehuwdennorm vermeld met daarnaast de hoogte van de individuele bijstandsnorm. Bij meer dan zes woningdelende personen blijft de formule van de kostendelersnorm van toepassing. Zo is bij zeven woningdelende personen die allen 21 jaar of ouder zijn maar jonger dan de AOW-leeftijd en die allen meetellen voor de kostendelersnorm de individuele bijstandsnorm (40% + 7 x 30%) : 7 = 35,714% van € 1.320,09 is € 471,46. Voor gehuwden waarvan één partner jonger is dan 21 jaar en de ander 21 jaar of ouder, geldt een afwijkende kostendelersnorm wanneer er kostendelende mede- bewoners zijn (pag. 56). Onder een aantal bijstandsnormen staat aangegeven wat bij deze norm het jaarinkomen is dat op de jaaropgaaf 2016 zal worden vermeld. Dit kan onder meer van belang zijn voor het schatten van het toetsingsinkomen in het jaar 2016 voor toeslagen.

GEHUWDEN
beide partners vanaf 21 jaar tot de AOW-leeftijd € 1.326,13 € 69,80
JAAROPGAAF PER PARTNER: € 9.610,00

één of beide partners AOW-gerechtigd € 1.424,58 € 74,98

beide partners jonger dan 21 jaar
zonder kind € 458,28 € 24,12
met kind € 723,51 € 38,08

één partner jonger dan 21 jaar, de ander vanaf 21 jaar tot de AOW-leeftijd
zonder kind € 892,21 € 46,96
met kind € 1.157,44 € 60,92

ALLEENSTAANDE / ALLEENSTAANDE OUDER
vanaf 21 jaar tot de AOW-leeftijd € 928,29 € 48,86
JAAROPGAAF: € 14.860,00
18 tot en met 20 jaar (zonder bijzondere bijstand) € 229,14 € 12,06
AOW-gerechtigd € 1.043,40 € 54,92
dak- en thuislozen € 822,20 € 43,27
KOSTENDELERSNORM PER PERSOON VANAF 21 JAAR TOT DE AOW-LEEFTIJD
2 personen (50,00%) € 663,07 € 34,90 JAAROPGAAF: € 9.610,00
3 personen (43,33%) € 574,66 € 30,25 JAAROPGAAF: € 7.800,00
4 personen (40,00%) € 530,45 € 27,92 JAAROPGAAF: € 6.900,00
5 personen (38,00%) € 503,93 € 26,52 JAAROPGAAF: € 6.400,00
6 personen (36,66%) € 486,25 € 25,59 JAAROPGAAF: € 6.100,00

KOSTENDELERSNORM PER AOW-GERECHTIGDE PERSOON
2 personen (50,00%) € 712,29 € 37,49
3 personen (43,33%) € 617,32 € 32,49
4 personen (40,00%) € 569,83 € 29,99
5 personen (38,00%) € 541,34 € 28,49
6 personen (36,66%) € 522,35 € 27,49

VERBLIJF IN INRICHTING
alleenstaande (ouder) € 332,91 € 15,47
gehuwden € 543,15 € 24,06

ADRESSEN

De voorzitter van Gedeputeerde Staten, Postbus 610, 9700 AP Groningen.

College van burgemeester en wethouders, Postbus 981, 9700 AZ Groningen.

UWV Bezoekadres: Stationsweg 10 te Groningen Openingstijden: op werkdagen van 9.00 – 17.00 uur
Postadres
: Postbus 11112, 9700 CC Groningen (kijk overigens altijd op het aanvraag- of wijzigingsformulier van het UWV voor het juiste postadres!)
T 0900 – 9294

WERKPLEIN
Bezoekadres
: Harm Buiterplein 1 te Groningen (Europapark) Openingstijden: zonder afspraak op werkdagen van 9.00 uur – 13.00 uur met afspraak op werkdagen van 13.00 uur – 17.00 uur
Algemeen postadres: Postbus 1125, 9701 BC Groningen
T 050 – 367 50 00 op werkdagen tussen 08.00 uur en 17.00 uur

SOCIALE VERZEKERINGSBANK
Bezoekadres:
Cascadeplein 5 te Groningen
Postadres: Postbus 576, 9700 AN Groningen
T 050 – 316 90 85 (AIO-aanvulling)

CAK, Antwoordnummer 1608, 2509 VB Den Haag
T 0800 – 0087